ECLI:NL:RBDHA:2018:571
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, met de Gambiaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser stelde dat hij slachtoffer is van mensenhandel in Duitsland en vreest voor zijn veiligheid vanwege zijn homoseksualiteit en familieleden aldaar. Hij beriep zich op internationale verdragen en richtlijnen omtrent mensenhandel en bescherming van slachtoffers. De rechtbank oordeelde echter dat de enkele verklaring van eiser onvoldoende bewijs vormde, mede omdat hij geen aangifte heeft gedaan en geen concrete aanwijzingen heeft geleverd.
Verweerder mocht ervan uitgaan dat Duitsland de aanvraag adequaat zal behandelen en dat eiser zich bij problemen tot Duitse autoriteiten kan wenden. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland is ongegrond verklaard.