ECLI:NL:RBDHA:2018:5726
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot oplegging dwangregeling wegens onvoldoende onderbouwing en waarborging
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. Het voorstel omvatte een betaling van 2,24% aan preferente en 1,12% aan concurrente schuldeisers over 36 maanden. Hoewel ING Bank haar verweer introk, maakten andere schuldeisers bezwaar vanwege onvoldoende onderbouwing en garanties.
De rechtbank oordeelde dat het voorstel onvoldoende duidelijkheid gaf over de financiële situatie van verzoeker, waaronder een te laag netto-inkomen en onvoldoende onderbouwing van de verdiencapaciteit, bedrijfsmiddelen en begroting. Ook ontbrak het aan waarborgen voor onafhankelijke en deskundige controle op de uitvoering van het voorstel.
Gezien deze tekortkomingen kon niet worden aangenomen dat het voorstel het uiterste was wat verzoeker financieel kon bieden, noch dat schuldeisers onredelijk zouden weigeren. Daarom werd het verzoek tot het opleggen van de dwangregeling afgewezen. Verzoeker kan binnen acht dagen hoger beroep instellen, mits gelijktijdig hoger beroep wordt ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering.
Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van een dwangregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en waarborging.