ECLI:NL:RBDHA:2018:5977
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige kinderen na afstandsverklaring vader
De vrouw verzocht de rechtbank om vaststelling van het Nederlanderschap van haar minderjarige kinderen, omdat hun vader afstand had gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. Zij stelde dat de afstandsverklaring nietig was wegens een geestelijke stoornis van de vader op het moment van ondertekening, waardoor hij niet wilsbekwaam was. De rechtbank onderzocht de medische verklaringen en concludeerde dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de vader op 23 augustus 2013 geestelijk niet in staat was om de afstandsverklaring rechtsgeldig te ondertekenen.
De rechtbank overwoog dat de vader op genoemde datum afstand had gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit conform artikel 15 lid 1 sub b van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Hierdoor verloren ook de minderjarige kinderen hun Nederlanderschap op grond van artikel 16 lid 1 sub d RWN Pro. De vrouw voerde ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel, maar de rechtbank oordeelde dat dit beginsel niet tot een andere uitkomst leidt, mede gezien het ontbreken van een nauwe band van de kinderen met Nederland en het feit dat zij ook de Iraanse nationaliteit bezitten.
De rechtbank concludeerde dat de afstandsverklaring rechtsgeldig was en dat de kinderen door deze verklaring hun Nederlanderschap verloren. Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige kinderen wordt afgewezen omdat de vader rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit.