ECLI:NL:RBDHA:2018:6311
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht naar Kroatië op grond van Dublinverordening ondanks medische omstandigheden
Eiser, een Syrische asielzoeker, verzocht de rechtbank om het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan te vechten waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Kroatië niet kon worden aangenomen vanwege mogelijke schending van het non-refoulementbeginsel en verwees naar het AIDA-rapport 2017.
Daarnaast voerde eiser aan dat vanwege zijn medische situatie, waaronder een bypassoperatie, overdracht tot verslechtering van zijn gezondheid zou leiden, en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening en relevante jurisprudentie dit verhinderen. De rechtbank oordeelde echter dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is en dat het niet aannemelijk is dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Het AIDA-rapport bood onvoldoende grond om anders te beslissen.
De medische stukken toonden aan dat eiser stabiel is en kan reizen zonder aanzienlijke gezondheidsrisico's. De rechtbank vond dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn en dat aanvullende garanties niet nodig zijn. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een onverplichte behandeling van de aanvraag rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter P.M. van Dijk-de Keuning en griffier A.E. Paulus op 22 mei 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de overdracht naar Kroatië wordt ongegrond verklaard.