ECLI:NL:RBDHA:2018:6325
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faciliterend visum wegens onvoldoende bewijs ten laste komen van referent
Eiser, een Pakistaanse student, vroeg een faciliterend visum aan om een maand bij zijn broer, een Britse EU-burger, in Nederland te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser niet had aangetoond dat hij ten laste kwam van zijn broer zoals vereist onder artikel 3, lid 2 sub a van de Verblijfsrichtlijn.
Eiser voerde aan dat hij afhankelijk is van materiële steun van zijn broer, die hem maandelijks geld overmaakt voor basisbehoeften, studie en transportkosten. De rechtbank oordeelde echter dat studiekosten en transportkosten niet als noodzakelijke basisbehoeften gelden en dat de bewijsstukken onvoldoende aantonen dat de overgemaakte bedragen daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor de basisbehoeften van eiser in Pakistan.
De verklaring van een bekende van eiser werd als onvoldoende objectief beoordeeld en de overgelegde betalingsbewijzen waren niet overtuigend omdat ze niet op naam van eiser stonden en niet duidelijk maakten dat hij de kosten daadwerkelijk betaalde met het geld van zijn broer.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het beroep ongegrond heeft verklaard en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden om als familielid ten laste van een EU-burger te worden beschouwd. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden. Het beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van ten laste komen.