ECLI:NL:RBDHA:2018:6495
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van definitieve aanslag inkomstenbelasting ondanks lager toetsingsinkomen toeslagen
Eiser ontving in 2014 een WW-uitkering van €12.545 die later door het UWV werd teruggevorderd omdat hij tegelijkertijd een WIA-uitkering ontving. Eiser begon in 2015 met terugbetalen via een betalingsregeling. Voor het jaar 2014 diende eiser aangifte IB/PVV in met een belastbaar inkomen verminderd met het terug te vorderen bedrag.
Het gerechtshof Den Haag stelde in een hoger beroep het toetsingsinkomen voor toeslagen lager vast dan het door verweerder gehanteerde belastbaar inkomen. De staatssecretaris trok cassatieberoep in. Verweerder legde vervolgens een definitieve aanslag op gebaseerd op het volledige ontvangen bedrag, inclusief de ten onrechte ontvangen WW-uitkering.
De rechtbank oordeelde dat de lagere vaststelling van het toetsingsinkomen door het hof niet relevant is voor de definitieve aanslag IB/PVV. De WW-uitkering moet volgens de Wet IB 2001 worden meegerekend als genoten inkomen. Eiser kan pas in het jaar van terugbetaling aftrek van het negatieve loonbedrag claimen. De belastingrente is correct berekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de definitieve aanslag IB/PVV 2014 inclusief de ten onrechte ontvangen WW-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.