ECLI:NL:RBDHA:2018:6588
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen Cubaans echtpaar wegens onvoldoende bewijs voor vervolgings- en artikel 3 EVRM-risico
Een Cubaans echtpaar heeft asiel aangevraagd in Nederland met het argument dat zij in Cuba worden onderdrukt en vervolgd vanwege illegale handelsactiviteiten en verdenking van prostitutie. De man stelde dat hij door de autoriteiten werd bedreigd en zijn handelswaar regelmatig in beslag werd genomen, terwijl de vrouw meldde dat zij was aangehouden en bedreigd met gevangenisstraf.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvragen af omdat de gestelde feiten en omstandigheden niet voldoende waren om te concluderen dat er sprake was van vluchtelingenstatus of een reëel risico op ernstige schade volgens artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de beperkingen die het echtpaar ervoer niet zodanig waren dat zij niet maatschappelijk konden functioneren.
Verder was er onvoldoende bewijs dat zij bij terugkeer als landverraders zouden worden beschouwd en gevangen zouden worden gezet. De rechtbank concludeerde dat de verzoekers geen aanspraak konden maken op een verblijfsvergunning asiel en verklaarde de beroepen ongegrond. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wijst de asielaanvragen af omdat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij persoonlijk vervolgd worden of een reëel risico op ernstige schade lopen.