ECLI:NL:RBDHA:2018:6654
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening medische voorrangsverklaring wegens onvoldoende medisch advies
Verzoekster heeft een medische voorrangsverklaring aangevraagd vanwege de ernstige gezondheidstoestand van haar jongste zoon, die lijdt aan neuroblastoom stadium IV met uitzaaiingen, en de ontoegankelijkheid van hun huidige woning op de zesde etage. Het college van burgemeester en wethouders van Delft heeft dit verzoek afgewezen, mede op advies van de Delftse Adviescommissie Voorrangsverklaring (DAV). Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de noodzaak van een woning op de begane grond, aangezien het medisch advies onvoldoende duidelijkheid biedt over de geschiktheid van een woning op een lagere etage. De voorzieningenrechter oordeelt dat de DAV in dit geval een onafhankelijk medisch advies had moeten inwinnen om de aanvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen.
Desondanks wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat het toekennen van een voorrangsverklaring een ingrijpende maatregel is die niet snel geschikt is voor een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college bij de behandeling van het bezwaar expliciet moet ingaan op de vraag of een dergelijk medisch advies noodzakelijk is en dit zo nodig moet inwinnen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de medische voorrangsverklaring wordt afgewezen.