ECLI:NL:RBDHA:2018:6899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Bbz-uitkering wegens onvoldoende bewijs van levensvatbaarheid onderneming
Eiser ontving een Bbz-uitkering voor zijn eenmanszaak, een arbeidsbemiddelingskantoor, die aanvankelijk toegekend werd van 1 juli 2016 tot 31 december 2016 en later verlengd tot 1 juni 2017. De gemeente Den Haag beëindigde de uitkering per 1 juni 2017 vanwege twijfels over de levensvatbaarheid van het bedrijf, omdat de onderneming geen noemenswaardige resultaten liet zien.
De Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten verzocht eiser om bewijs van een nieuwe opdracht die hij tijdens een gesprek op 20 juni 2017 zou binnenhalen. Eiser leverde deze stukken niet tijdig aan, waardoor de gemeente het besluit nam de uitkering te beëindigen. Eiser stelde dat hij wel de gevraagde stukken had ingeleverd en dat zijn bedrijf levensvatbaar was vanwege opdrachten bij het UWV en Zakelijk Voordeel.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente terecht om bewijs vroeg en dat eiser niet tijdig aan dit verzoek heeft voldaan. Volgens vaste rechtspraak is de situatie op het moment van het besluit bepalend, waardoor latere ontwikkelingen niet in aanmerking worden genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Bbz-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende bewijs leverde van de levensvatbaarheid van zijn bedrijf.