ECLI:NL:RBDHA:2018:7177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan na periode van arbeid en verblijf buiten Nederland
De zaak betreft een beroep van eiser, een Griekse gemeenschapsonderdaan, tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat zijn verblijfsrecht per 30 juni 2014 van rechtswege is geëindigd. Eiser voerde aan dat hij vanaf 22 april 2013 tot en met 30 juni 2014 reële en daadwerkelijke arbeid in Nederland heeft verricht, waardoor zijn verblijfsrecht niet zou zijn beëindigd.
De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar tussen 22 april 2013 en 31 december 2013 arbeid heeft verricht en zich sinds 8 juli 2013 weer in de Basisregistratie Persoonsgegevens heeft ingeschreven, maar dat hij onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij daadwerkelijk vanaf 22 april 2013 onafgebroken in Nederland verbleef. Bovendien bestrijkt de periode van arbeid niet ten minste één jaar. Na 31 december 2013 heeft eiser geen arbeid meer verricht en verbleef hij buiten Nederland.
Op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 eindigt het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan die niet langer arbeid verricht en langer dan zes maanden afwezig is van Nederland. De rechtbank volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat het verblijfsrecht van eiser per 30 juni 2014 van rechtswege is geëindigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht per 30 juni 2014 wordt ongegrond verklaard.