ECLI:NL:RBDHA:2018:7563
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling functioneren militair en ongegrondverklaring bezwaar tegen onvoldoende beoordeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een militair tegen een beoordeling van zijn functioneren over de periode van januari tot september 2016, waarbij hij op meerdere punten als onvoldoende werd beoordeeld. De militair voerde aan dat de beoordeling onterecht was vanwege onvoldoende rekening met een eerder incident en oogletsel, en dat de beoordelingsperiode te kort was.
De rechtbank stelde vast dat het beoordelingsproces bestond uit een concept- en een definitieve versie, waarbij de definitieve beoordeling op 3 oktober 2016 was vastgesteld. De toetsing van de inhoud van de beoordeling is beperkt tot de vraag of deze op voldoende gronden berust. De rechtbank oordeelde dat verweerder de onvoldoende beoordeling met concrete feiten had onderbouwd, waarbij een terugkerend patroon van tekortkomingen in inzet, gedrag en verantwoordelijkheidsbesef was vastgesteld.
Hoewel de militair stelde dat hij onvoldoende nazorg had gekregen na een incident in 2014 en oogletsel in 2015, was dit volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd en had hij nooit aangegeven dat dit zijn functioneren negatief beïnvloedde. Verweerder had bovendien rekening gehouden met de beperkingen door vervangende taken toe te wijzen. De rechtbank concludeerde dat de beoordeling voldoende inzicht gaf in de specifieke tekortkomingen en dat het beroep ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de onvoldoende functioneringsbeoordeling is ongegrond verklaard.