ECLI:NL:RBDHA:2018:762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2018
Publicatiedatum
26 januari 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2647
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift ongeldigverklaring rijbewijs ongegrond verklaard

Eiser heeft tegen het besluit van de algemeen directeur van het CBR, waarbij zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard, bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift werd echter niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend. Eiser voerde aan dat zijn ziekenhuisopname en herstelperiode de reden waren voor de te late indiening.

De rechtbank overwoog dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift zes weken bedraagt en dat deze termijn aanvangt de dag na bekendmaking van het besluit. Hoewel eiser persoonlijke omstandigheden aanvoerde, waaronder een opname wegens acuut nierfalen, oordeelde de rechtbank dat deze omstandigheden geen verschoonbare reden vormden voor de overschrijding van de termijn.

De rechtbank wees erop dat eiser het besluit tijdig had ontvangen en dat hij pro forma bezwaar had kunnen maken binnen de termijn, waarna hij later de gronden had kunnen aanvullen. Daarom was het risico van de te late indiening voor rekening van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 17/2647

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Bhulai),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,
(gemachtigde: mr. D. Schokker)

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 16 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017.
Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Bij besluit van 23 december 2016 heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift, gedateerd 8 februari 2017, is door verweerder ontvangen op 10 februari 2017.
1.2
In het bezwaarschrift van 8 februari 2017 en in een telefoongesprek met verweerder op 15 februari 2017 heeft eiser toegelicht waarom het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend.
1.3
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door eiser ingediende bezwaarschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend en eiser hiervoor geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd.
2.1
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
2.2
Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3 Eiser heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding is te wijten aan het feit dat hij van 11 december 2016 tot en met 22 december 2016 in het ziekenhuis is opgenomen geweest vanwege een ernstige vorm van acuut nierfalen en ook na zijn ontslag uit het ziekenhuis nog langere tijd is aangewezen geweest op hulp om te herstellen en zijn zaken te regelen. Eiser had daarbij geen enkele hulp of steun van zijn familie. Eiser heeft direct na kennisname van het besluit hiertegen bezwaar aangetekend. Daardoor heeft het indienen van het bezwaarschrift langer geduurd dan de wettelijk toegestane termijn.
4 De rechtbank overweegt het volgende.
4.1
Niet in geschil is dat buiten de in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb voorgeschreven termijn een bezwaarschrift is ingediend tegen het primaire besluit.
4.2
Ter beoordeling ligt daarom uitsluitend de vraag voor of die termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
4.3
Naar het oordeel van de rechtbank leiden de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
Dat eiser, hoe betreurenswaardig ook, van 11 december 2016 tot en met 22 december 2016 is opgenomen in het ziekenhuis leidt niet tot verschoonbaarheid, aangezien het besluit dateert van 23 december 2016 en hier een bezwaartermijn aan was verbonden van 6 weken. Gesteld noch gebleken is dat eiser het besluit niet tijdig heeft ontvangen.
Eiser had overigens, omwille van de tijd, ook pro forma bezwaar kunnen instellen en op een later moment – al dan niet met behulp van een gemachtigde of iemand anders - bezwaargronden kunnen indienen.
Het komt derhalve voor risico en rekening van eiser dat het bezwaar te laat is ingediend.
4.4
Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5 Het beroep is ongegrond.
6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.