ECLI:NL:RBDHA:2018:7679
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering en onvoldoende bewijs bedreiging
Eiser, met de Libische nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom bedreigd werd door zijn vader. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a Vreemdelingenwet 2000, omdat de bekering in eerdere procedures als ongeloofwaardig was beoordeeld en het bewijs van bedreiging onvoldoende was.
Eiser voerde aan dat het bedreigende bericht afkomstig was van een Viber-account van zijn vader en dat hij door het in beslag nemen van zijn telefoon zijn relaas niet kon onderbouwen. Tevens stelde hij dat de procedure niet zorgvuldig was verlopen, onder meer vanwege de korte termijn voor reactie en het niet afwachten van het overleggen van het bericht.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het bericht niet afkomstig is van een verifieerbare en onafhankelijke bron en dat de geloofwaardigheid van de bekering en het relaas onvoldoende zijn onderbouwd. Ook de overgelegde telefoonfactuur en verklaringen boden geen objectief bewijs van bedreiging. De procedure werd als voldoende zorgvuldig beoordeeld.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens ongeloofwaardige bekering en onvoldoende bewijs van bedreiging.