ECLI:NL:RBDHA:2018:773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2018
Publicatiedatum
26 januari 2018
Zaaknummer
09/084333-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137g SrArt. 429quater SrArtikel 1 Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van discriminatie wegens ras bij toegang weigering uitgaansgelegenheid

Op 28 februari 2016 weigerde verdachte, werkzaam als portier van een uitgaansgelegenheid, de toegang aan twee bezoekers met een donkere of getinte huidskleur. De officier van justitie stelde dat dit op grond van ras gebeurde en eiste een veroordeling wegens discriminatie. De verdediging voerde aan dat de weigering gebaseerd was op niet-discriminerende redenen, zoals het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs en drukte in het café.

De rechtbank nam kennis van de verklaringen van verdachte, de slachtoffers en de camerabeelden. Hoewel de slachtoffers werden geweigerd, was niet wettig en overtuigend bewezen dat dit op grond van ras gebeurde. Verdachte verklaarde dat de weigering berustte op gebruikelijke redenen en de opmerking over het meenemen van een dame werd niet als discriminerend beoordeeld. De camerabeelden toonden geen beleid van discriminatie en het was niet vastgesteld dat verdachte op de beelden te zien was.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde discriminatie. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging, die nihil werden begroot.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van discriminatie wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/084333-16
Datum uitspraak: 26 januari 2018
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de, op 12 januari 2018, door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 juni 2016 (politierechter) en 12 januari 2018 (politierechter en vervolgens meervoudige kamer).
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Doves, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P. J. Hoogendam, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is  na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting  ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2016 te ‘s-Gravenhage, in de uitoefening van zijn ambt, beroep en/of bedrijf, te weten als portier/uitsmijter van de uitgaansgelegenheid [naam café] , een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk heeft gediscrimineerd wegens zijn/hun ras (namelijk wegens zijn/hun donkere althans getinte huidskleur en/of zijn/hun niet-Nederlandse etnische afkomst) door hen de toegang
tot die uitgaansgelegenheid te ontzeggen en/of te zeggen dat zij eerst een vrouw moesten scoren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 28 februari 2016, te ‘s-Gravenhage, in de uitoefening van zijn ambt, beroep en/of bedrijf, te weten als portier/uitsmijter van de uitgaansgelegenheid [naam café] , een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gediscrimineerd wegens zijn ras (namelijk wegens zijn/hun donkere althans getinte huidskleur en/of zijn/hun niet-Nederlandse etnische herkomst) door hen de toegang tot die uitgaansgelegenheid te ontzeggen en/of hen te zeggen dat zij eerst een vrouw moesten scoren.

3.Bewijsoverwegingen

3.1
Inleiding
[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) waren op 28 februari
2016, kort na middernacht, in het centrum van Den Haag en voornemens café [naam café] te
bezoeken. Verdachte was op dat moment werkzaam als beveiligerportier van [naam café] en heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit dien hoofde de toegang tot [naam café] geweigerd. Verdachte heeft daarbij, zo heeft hij zelf verklaard, tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd dat zij een dame mee zouden kunnen nemen. Het café binnenkomen zou dan makkelijker gaan, zo verklaarde verdachte ter terechtzitting.
De vraag die voor ligt is of verdachte bezoekers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gediscrimineerd wegens hun ras.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Op basis van de bewijsmiddelen kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij café [naam café] geweigerd zijn op grond van hun uiterlijk, dat naar huidskleur en ras onderscheidend is. Verdachte heeft niet de huisregels van [naam café] gehanteerd. Het was geen beleid dat mannen  wanneer het evenwicht manvrouw in het café verstoord dreigde te raken  enkel tezamen met een vrouw naar binnen zouden mogen. Verdachte heeft een eigen reden verzonnen om de mannen te weigeren, op grond van onderbuikgevoel en eigen overtuiging. Daarnaast is op de camerabeelden in het dossier zichtbaar dat kort voor het onderhavige voorval, twee blanke en jong ogende mannen direct het café mochten betreden, terwijl een getinte (niet te jong ogende) man werd tegengehouden en pas werd binnengelaten nadat hij iets wat lijkt op een identiteitsbewijs had laten zien. De conclusie moet volgens de officier van justitie zijn dat verdachte de mannen met zijn (bewuste) handelen opzettelijk heeft gediscrimineerd.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet vanwege hun afkomst of uiterlijk geweigerd. Zoals verdachte heeft verklaard is de mannen om geëigende redenen de toegang geweigerd. De minimale leeftijd voor bezoekers van [naam café] is 23 jaar. [slachtoffer 1] werd vanwege zijn voor verdachte jong ogende uiterlijk om zijn identiteitsbewijs gevraagd. Dat kon hij niet tonen. Daarbij was het erg druk in het café en vond verdachte de houding van de mannen niet prettig. De mannen waren bovendien geen vaste klanten. In het café waren mensen van heel verschillende afkomst aanwezig. Het dossier biedt geen, althans onvoldoende bewijs voor discriminatie.
3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
Voor het bewezen verklaren van discriminatie in de zin van artikel 137g Wetboek van Strafrecht en/of artikel 429quater Wetboek van Strafrecht, moet sprake zijn van het maken van onderscheid op grond van ras. Ras betekent in deze zin ook
huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. [1]
Vast staat dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de toegang heeft geweigerd en hun daarbij heeft gezegd dat zij een dame mee zouden kunnen nemen (of woorden van gelijke strekking). De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting echter niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bezoekers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierbij heeft gediscrimineerd op grond van ras. Zij overweegt daartoe het volgende.
Ten eerste verklaart verdachte zelf (stellig) dat hij de mannen om gebruikelijke en niet discriminerende redenen de toegang heeft geweigerd. De inhoud van het dossier noopt niet tot de conclusie dat die verklaring van verdachte niet juist zou kunnen zijn. Verdachte heeft bij die weigering weliswaar (ook) iets gezegd over het meenemen van een dame, maar deze opmerking duidt  hoewel niet chique  niet op het maken van onderscheid op grond van uiterlijkras. Bovendien verklaren zowel verdachte als [slachtoffer 1] dat de afkomst van de mannen niet ter sprake is geweest.
Hetgeen op de camerabeelden zichtbaar is, kan evenmin leiden tot de conclusie dat sprake is van discriminatie. Ten eerste is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte de portier is die op de beelden zichtbaar is. Daarbij volgt uit de camerabeelden niet dat er een beleid wordt gevoerd waarbij bezoekers met een onderscheidend uiterlijk de toegang wordt geweigerd.
Niet geconcludeerd kan daarom worden dat de onderscheidende uiterlijke kenmerken of de afkomst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een rol hebben gespeeld toen hun de toegang tot café [naam café] werd geweigerd. Dat verdachte de mannen heeft gediscrimineerd op grond van ras is dan ook niet komen vast te staan. Verdachte zal zowel van het primair als subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.De vordering benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 500,-, betreffende immateriële schade.
Aangezien verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen waarop de vordering betrekking heeft, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank de benadeelde partij zal veroordelen in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak ter verdediging tegen die vordering heeft gemaakt. Deze kosten begroot de rechtbank tot op heden op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak ter verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. A. C. Koster, voorzitter,
mr. W.N.L. Donker, rechter,
mr. M.H. Erich, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2018.
Mr. W.N.L. Donker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Artikel 1 van Pro het Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.