ECLI:NL:RBDHA:2018:780
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel homoseksueel uit Cuba wegens onvoldoende risico op vervolging
Eiser, een Cubaanse homoseksueel, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege discriminatie en geweld in Cuba, waaronder een steekincident door een politieagent en ontslag wegens zijn seksuele geaardheid. De staatssecretaris wees de aanvraag af, stellende dat de situatie in Cuba voor LHBT'ers is verbeterd en dat eiser geen reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn maatschappelijke en sociale functioneren in Cuba onhoudbaar is geworden. Hoewel hij negatieve ervaringen had, ontbraken aanwijzingen voor structurele vervolging of ontzegging van basisvoorzieningen zoals onderwijs, werk, huisvesting of gezondheidszorg. Het steekincident werd als eenmalig beoordeeld zonder bewijs van herhaling.
De rechtbank nam het beleid van de staatssecretaris over dat discriminatie pas vervolging oplevert indien het leidt tot onmogelijkheid tot maatschappelijk functioneren. Ook erkende de rechtbank dat homoseksualiteit in Cuba niet strafbaar is en dat er wettelijke bescherming en organisaties zijn voor LHBT'ers. De aangevoerde rapporten en vergelijkingen met andere zaken boden onvoldoende grond voor een andere beoordeling.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning afgewezen.