ECLI:NL:RBDHA:2018:7956

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
5 juli 2018
Zaaknummer
18/38 en 09/997107-13
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen DNA-onderzoek gegrond verklaard bij feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte

De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Veroordeelde was veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte door een rechtspersoon, waarvoor hij een gevangenisstraf van 18 maanden kreeg opgelegd.

Op 20 december 2017 werd celmateriaal van veroordeelde afgenomen, maar het DNA-profiel was nog niet bepaald toen het bezwaar werd ingediend. De rechtbank oordeelde dat het misdrijf valt onder de uitzonderingsgrond in artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, die bepaalt dat geen DNA-onderzoek plaatsvindt indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het DNA-profiel niet van betekenis zal zijn voor de opsporing of vervolging.

De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die zouden wijzen op toekomstig strafbaar gedrag waarbij DNA-onderzoek relevant zou zijn. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal te vernietigen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/997107-13
Kenmerk RK: 18/38
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres] ,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. W.M. Shreki,
Parklaan 46, 3016 BC te Rotterdam,
tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De rechtbank heeft dit bezwaar op 22 mei 2018 in raadkamer behandeld.
Veroordeelde, bijgestaan door mr. Shreki, is in raadkamer gehoord.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar, omdat er sprake is van één van de uitzonderingsgronden zoals genoemd in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is bij uitspraak van 22 september 2015 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.
Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 16 november 2017, op 20 december 2017 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen.
Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 3 januari 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.
Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. De Memorie van Toelichting bij de Wet vermeldt dat hierbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan meineed en valsheid in geschrift. Bij deze feiten wordt, aldus de Memorie van Toelichting, in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek afgenomen.
In het onderhavig geval is veroordeelde voor het feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon veroordeeld. De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat dit misdrijf naar zijn aard valt onder de uitzonderingsgrond.
De rechtbank overweegt voorts dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken waaronder het misdrijf is gepleegd, die aanleiding geven te vrezen dat bezwaarde in de toekomst feiten zal plegen, waarbij het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Nu in dit concrete geval, gelet op de aard van het misdrijf waarvoor veroordeelde is veroordeeld redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde, en enige vrees voor recidive niet is gebleken, zal de rechtbank het bezwaar gegrond verklaren en bepalen dat het celmateriaal dient te worden vernietigd.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. W.N.L. Donker, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. J.A. Schuttevaer en M.T. Planken, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juni 2018.