ECLI:NL:RBDHA:2018:7956
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-onderzoek gegrond verklaard bij feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Veroordeelde was veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte door een rechtspersoon, waarvoor hij een gevangenisstraf van 18 maanden kreeg opgelegd.
Op 20 december 2017 werd celmateriaal van veroordeelde afgenomen, maar het DNA-profiel was nog niet bepaald toen het bezwaar werd ingediend. De rechtbank oordeelde dat het misdrijf valt onder de uitzonderingsgrond in artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, die bepaalt dat geen DNA-onderzoek plaatsvindt indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het DNA-profiel niet van betekenis zal zijn voor de opsporing of vervolging.
De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die zouden wijzen op toekomstig strafbaar gedrag waarbij DNA-onderzoek relevant zou zijn. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.