Uitspraak
[eisers]en
[eisers], allen te [plaats], eisers
Rechtbank Den Haag
In deze zaak staat centraal of de ik-oma-making, een vordering van kleinkinderen op hun tante, moet worden aangemerkt als een last of een legaat voor de erfbelasting. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen zijn ontstaan op erflaatster als specifieke erfgenaam en niet op de nalatenschap als geheel.
De rechtbank kwalificeert de ik-oma-making als een lastbevoordeling omdat erflaatster haar eigen vermogen heeft belast door geldsommen te erkennen aan de kleinkinderen, waardoor haar vermogen is uitgehold. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10, eerste lid, van de Successiewet, dat fictieve verkrijgingen regelt.
De rechtbank wijst het beroep van eisers af die stelden dat de ik-oma-making als legaat moet worden belast volgens het negende lid van artikel 10. Dit negende lid is een vangnetbepaling en is hier niet van toepassing omdat het eerste lid reeds van toepassing is. Ook de aanslagen belastingrente worden gehandhaafd. De beroepen worden ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de aanslagen erfbelasting en belastingrente.