ECLI:NL:RBDHA:2018:8210
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en procedurele rechtmatigheid nieuw voornemen
Eiser, een Egyptische asielzoeker, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in de verlengde procedure als kennelijk ongegrond af te wijzen. De afwijzing was gebaseerd op tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen van eiser, mede onderbouwd door gegevens uit het visumdossier.
Eiser betoogde dat het uitbrengen van een nieuw voornemen onrechtmatig was omdat er geen nieuwe feiten of gewijzigde beoordeling waren, en dat het visumdossier ten onrechte werd betrokken. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 3.119 Vreemdelingenbesluit 2000 geen beperking inhoudt voor het uitbrengen van een nieuw voornemen, maar een procedurele zorgvuldigheidseis betreft. Verweerder mocht het oude voornemen intrekken en een nieuw voornemen uitbrengen, ook zonder nieuwe feiten.
De rechtbank concludeerde dat eiser op meerdere punten niet consistent was in zijn verklaringen over zijn werkzaamheden en woonadressen, en dat hij onvoldoende bewijs had geleverd om zijn verhaal aannemelijk te maken. Het visumdossier mocht worden betrokken bij de beoordeling. De rechtbank achtte de bedreigingen en incidenten die eiser had opgevoerd deels ongeloofwaardig, mede door tegenstrijdigheden en het ontbreken van ondersteunende getuigenverklaringen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder mocht het besluit handhaven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.