ECLI:NL:RBDHA:2018:8360

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
12 juli 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1354
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:82 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

Verzoekster had een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door verweerder werd afgewezen. Tegen dit primaire besluit maakte zij bezwaar en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Vervolgens trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht zij om een proceskostenveroordeling van verweerder.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot proceskostenveroordeling beoordeeld aan de hand van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, dat bepaalt dat kostenveroordeling alleen mogelijk is indien het bestuursorgaan aan de verzoeker is tegemoetgekomen. De voorzieningenrechter constateerde dat verweerder niet aan verzoekster tegemoet was gekomen, aangezien verzoekster zelfstandig met haar echtgenoot was teruggekeerd naar haar land van herkomst.

Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Tevens werd geen aanleiding gezien om het griffierecht terug te betalen of te vergoeden. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 juli 2018 en er is geen rechtsmiddel tegen mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat verweerder niet aan verzoekster is tegemoetgekomen.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/1354
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.K. Williams),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. El Hajoui)

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 26 maart 2018 heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en hierin aangegeven zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018.
Verzoekster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Nu de voorlopige voorziening is ingetrokken, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek dan wel aan de vraag of het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000 een redelijke kans van slagen heeft.
2. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (dat krachtens artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing is verklaard in voorlopige voorzieningsprocedures) kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten veroordelen, indien daarom tegelijk met de intrekking van het verzoek is verzocht.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen grond bestaat om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Van een situatie als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is geen sprake, nu verweerder niet aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen. Verzoekster is immers zelfstandig met haar echtgenoot teruggekeerd naar haar land van herkomst en heeft daarom haar verzoekschrift ingetrokken.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling dan ook af.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om op grond van artikel 8:82, vierde of vijfde lid, van de Awb, de griffier het griffierecht te laten terugbetalen dan wel te bepalen dat het betaalde griffierecht door verweerder geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.