ECLI:NL:RBDHA:2018:8360
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoekster had een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door verweerder werd afgewezen. Tegen dit primaire besluit maakte zij bezwaar en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Vervolgens trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht zij om een proceskostenveroordeling van verweerder.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot proceskostenveroordeling beoordeeld aan de hand van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, dat bepaalt dat kostenveroordeling alleen mogelijk is indien het bestuursorgaan aan de verzoeker is tegemoetgekomen. De voorzieningenrechter constateerde dat verweerder niet aan verzoekster tegemoet was gekomen, aangezien verzoekster zelfstandig met haar echtgenoot was teruggekeerd naar haar land van herkomst.
Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Tevens werd geen aanleiding gezien om het griffierecht terug te betalen of te vergoeden. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 juli 2018 en er is geen rechtsmiddel tegen mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat verweerder niet aan verzoekster is tegemoetgekomen.