ECLI:NL:RBDHA:2018:842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2018
Publicatiedatum
29 januari 2018
Zaaknummer
NL18.237
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) nr. 604/2013Artikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-inhandelingneming asielaanvraag wegens Dublinverordening Italië

Eiser diende op 16 oktober 2017 een asielaanvraag in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac bleek dat eiser eerder in Italië en Duitsland asiel had aangevraagd. De staatssecretaris verzocht Italië om terugname, wat werd bevestigd door de Italiaanse autoriteiten.

Eiser voerde aan dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen, maar de rechtbank oordeelde dat de situatie in Italië, ondanks enkele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, niet zodanig is dat overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft volgens de rechtbank van toepassing.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de opvangsituatie in Italië als voldoende beschouwt. Ook het feit dat de asielaanvraag in Italië al was afgewezen, deed hieraan niet af. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wegens verantwoordelijkheid Italië is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H. van der Wal),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.238, plaatsgevonden op 25 januari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser heeft op 16 oktober 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 11 maart 2015 in Italië en op 25 juli 2017 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 25 oktober 2017 de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). Met het claimakkoord van 8 november 2017 hebben de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening ingestemd met dit verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen.
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in verschillende arresten geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft onder meer bij uitspraak van 30 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1454) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Uit het door eiser in de zienswijze aangehaalde rapporten komt naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld naar voren dan in de eerder genoemde uitspraken van het EHRM en de Afdeling wordt geschetst.
Nu de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Italië en de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht uit is gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat Italië zich niet aan zijn verdragsverplichtingen zal houden. Dat de asielaanvraag in Italië al is afgewezen maakt dit niet anders. Verweerder heeft zich –met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met terugname van eiser door Italië geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest.
Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel