Uitspraak
Beschikking op het op 3 april 2017 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Procedure
Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie
Feiten
Beoordeling
Beslissing
29 mei 2018.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van een man en vrouw, vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter, om vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van de dochter. De man, sinds 2009 Nederlander, en de vrouw zijn niet gehuwd. De dochter is in Ghana geboren en geregistreerd met de man als vader op de geboorteakte.
De IND betwistte erkenning omdat de man niet persoonlijk aanwezig was bij de naamgevingsceremonie en geboorteaangifte in Ghana. De rechtbank oordeelde dat naar Ghanees recht sprake is van een rechtsfeit waarbij een familierechtelijke betrekking is ontstaan die gelijkstaat aan erkenning in Nederland. Dit blijkt uit de naamgevingsceremonie, vermelding op geboorteakte, betalingen aan de moeder en verklaringen van de moeder.
De rechtbank concludeerde dat de man het vaderschap heeft aanvaard en erkend, ondanks zijn afwezigheid bij de ceremonie, en dat de familierechtelijke betrekking per 1 februari 2012 geldt. Hierdoor bezit de dochter sinds die datum de Nederlandse nationaliteit. De IND kon geen weigeringsgrond aantonen. De rechtbank stelde het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige toe.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de minderjarige sinds 1 februari 2012 de Nederlandse nationaliteit bezit.