ECLI:NL:RBDHA:2018:8477
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag opschorting vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Eiser heeft op 30 augustus 2017 een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door verweerder bij besluit van 25 september 2017 is afgewezen. Het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing is bij besluit van 16 januari 2018 ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De afwijzing is gebaseerd op medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) waarin is vastgesteld dat eiser lijdt aan maag- en psychische klachten, een lipoom en obstipatie, maar dat deze klachten geen medische noodsituatie op korte termijn veroorzaken. Het BMA concludeert dat eiser kan reizen met gangbare vervoersmiddelen en voldoende medicatie kan meenemen.
Eiser betwist de adviezen en beroept zich op het arrest Korošec van het EHRM, stellende dat hij recht heeft op een door verweerder betaalde contra-expertise. De rechtbank oordeelt echter dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op deze procedure en dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om de adviezen te betwisten, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt.
Verder is het horen van eiser in bezwaar terecht achterwege gebleven omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om opschorting van vertrek wordt ongegrond verklaard.