3.4De beoordeling van de tenlastelegging
Camerabeelden
De politie heeft onderzoek gedaan naar camerabeelden van verschillende camera’s. Op de beelden van een camera die gericht staat op een oprit [adres 2] te Den Hoorn heeft een verbalisant het volgende waargenomen:
04:50:39 uur: jongen 2 opende het portier en begint in te slaan op het slachtoffer. Ik zag jongen 1 uitstappen aan de bijrijderszijde en vervolgens leunde hij voorover in de auto. Het leek erop dat hij het slachtoffer fixeerde. Ik zag dat het slachtoffer de auto uit kwam en de weg op liep, ik zag dat hij begon te rennen. Ik zag jongen 1 en 2 achter het slachtoffer aanrenden. Hierna waren zowel het slachtoffer als jongen 1 en 2 uit beeld.
Om04:51:31zag ik dat het slachtoffer weer in heet beeld verscheen. Ik zag dat hij naar zijn auto rende en de auto instapte en op de bestuurdersstoel ging zitten. Ik zag jongen 1 en 2 achter hem aan kwamen rennen. Ik zag dat zowel jongen 1 als jongen 2 een aanloop namen en vervolgens met kracht in de auto trapte, richting het slachtoffer.
Om04:51:37zag jongen 2 voorover in het bestuurdersportier hangen. Jongen 1 zag ik richting het bijrijdersportier lopen. Ik zag hem in de auto trappen tegen het slachtoffer en stapte vervolgens weer uit de auto. Ik zag dat het slachtoffer op dat moment ook weer uit de auto was. Ik zag dat jongen 2 het slachtoffer aan het slaan was met zijn vuisten. Ik zag het slachtoffer terug slaan. Ik zag dat jongen 1 ook richting het slachtoffer liep. Ik zag dat jongen 1 flink uit haalde met zijn rechterarm en vervolgens vanaf schouderhoogte een slaande beweging richting het slachtoffer maakte. Ik zag dat deze slag mis was, waardoor hij een paar stappen vooruit maakte. Hierna zag ik hem terug naar het slachtoffer lopen en zag ik beide jongens het slachtoffer slaan.
Ik zag dat jongen 1 met zijn rechterelleboog op het hoofd van het slachtoffer in aan het beuken was en ik zag jongen 2 met zijn vuisten op het hoofd van het slachtoffer slaan.
04:52:25 uur:Ik zag dat het slachtoffer zijn boven kleding uit was en dus een bloot bovenlichaam had. Ik zag jongen 1 weglopen in de richting van zijn fiets. Ik zag dat jongen 2 bleef slaan en schoppen, terwijl jongen 1 bij zijn fiets stond.
Om04:52:37zag ik het slachtoffer en jongen 2 zich verplaatsen naar het midden van de weg. Daar ging het gevecht door.
Om04:52:52zag ik het slachtoffer naar overkant van de weg rennen, vervolgens zag ik jongen 1 zich weer bij het slachtoffer en jongen 2 voegen en zag ik jongen 1 en 2 het slachtoffer weer slaan. Ik zag dat jongen 1, low kicks aan slachtoffer gaf, ik zag dat deze op zijn bovenbenen en onderbuik terecht kwamen, terwijl jongen 2 bleef slaan tegen het hoofd van het slachtoffer. Al slaand en schoppend verdwenen het slachtoffer en de jongens vervolgens het beeld uit.
Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat voornoemde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden op 7 februari 2016 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland en dat de verdachte persoon 1 is en de medeverdachte persoon 2 is. De verdachte heeft ter terechtzitting op 2 juli 2018 verklaard dat hij de geweldshandelingen, zoals genoemd in de tenlastelegging – met uitzondering van het bijten in het oor –, heeft verricht.Gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar de aangifte van [slachtoffer]kunnen naar het oordeel van de rechtbank deze feiten als vaststaand worden aangemerkt en zonder nadere motivering als vertrekpunt dienen voor de beoordeling van de bewijsvraag.
De rechtbank ziet zich – gelet op het door de raadsman gevoerde verweer – thans voor de vraag gesteld of voornoemd handelen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] moet worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling (primair) of een mishandeling (subsidiair) en overweegt daartoe als volgt.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit is vereist dat de verdachte opzet moet hebben gehad op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke zin.
Uit de bewijsmiddelen volgt naar oordeel van de rechtbank dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte en de medeverdachte hebben minutenlang op het slachtoffer ingetrapt en geslagen. Daarbij hebben zij het slachtoffer veelvuldig tegen het hoofd en lichaam geslagen, gestompt en getrapt. Daarnaast heeft verdachte elleboogstoten op het hoofd van het slachtoffer gegeven. Dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte tegen het hoofd of andere kwetsbare delen van het lichaam van [slachtoffer] heeft
geschopt, zoals door de raadsman is betoogd, doet aan het voorgaande niets af. Evenmin doet aan het voorgaande iets af de omstandigheid dat er niet met knuppels en stokken is geslagen en dat [slachtoffer] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Uit algemene ervaringsregels volgt dat dergelijk geweld tegen het lichaam en het hoofd kan leiden tot schade aan vitale organen en de hersenen. De verdachte en zijn medeverdachte moeten zich daarvan bewust zijn geweest. Door op die manier tegen het hoofd te slaan en stompen, en tegen het lichaam van [slachtoffer] te slaan, stompen, schoppen en trappen, heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
De rechtbank heeft bij het voorgaande meegewogen dat niet vast is komen te staan dat de verdachte of de medeverdachte [verdachte] het slachtoffer in zijn oor heeft gebeten. Aangever heeft weliswaar verklaard dat hij in zijn oor is gebeten maar in de medische verklaring wordt gesproken over oppervlakkig gescheurde huid van het oor en niet van een bijtwond. Op de camerabeelden is niets te zien dat wijst op bijten in het oor van het slachtoffer. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat beide verdachten een wezenlijke gezamenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict. De medeverdachte heeft het initiatief genomen tot het gevecht en minutenlang – tezamen met de verdachte – op het slachtoffer in geslagen, gestompt en getrapt. De rollen van de verdachte en zijn medeverdachte waren inwisselbaar en zij hebben beiden een significante rol gehad in de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte zich met zijn handelingen schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling.