Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2018 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, geboren in Nederland en zoon van een verblijfsvergunninghouder met Rwandese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier als gezinslid. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet beschikte over een geldig paspoort, zoals vereist volgens de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden en het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (artikel 3 IVRK Pro) meebrachten dat het paspoortvereiste niet strikt toegepast moest worden. Tevens stelde hij dat de moeder van eiser medewerking van de ambassade had gekregen om het paspoort te verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het paspoortvereiste handhaafde, omdat niet was aangetoond dat het verkrijgen van een paspoort onmogelijk was. De moeder van eiser had geen aanvraag ingediend, ondanks dat de ambassade assistentie bood. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro was zorgvuldig gemaakt en het beroep op het IVRK was onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een geldig paspoort en onvoldoende inspanningen om dit te verkrijgen.