ECLI:NL:RBDHA:2018:9190
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar Marokko
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, was in vreemdelingenbewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eerder waren eerdere beroepen tot opheffing van de bewaring ongegrond verklaard. Na een voortgezet beroep en aanvullende rapportages werd de bewaring op 10 juli 2018 opgeheven.
De rechtbank onderzocht of de bewaring onrechtmatig was geweest en of er zicht was op uitzetting naar Marokko. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat er geen zicht was op uitzetting, onder meer vanwege het geringe aantal afgegeven laissez-passers en het gebrek aan medewerking van de Marokkaanse autoriteiten.
De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende inspanningen had verricht, waaronder rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten, en dat de informatie over aanvragen en afgifte van laissez-passers en presentaties niet was betwist. Tevens was eiser onvoldoende actief meegewerkt aan zijn uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat tot het moment van opheffing van de bewaring zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbrak en dat het opleggen van een zwaardere maatregel dan een meldplicht gerechtvaardigd was. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.