ECLI:NL:RBDHA:2018:9299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2018
Publicatiedatum
1 augustus 2018
Zaaknummer
99/000363-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 SrArt. 15d SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot het achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens recidivegevaar

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, waarvan de tenuitvoerlegging op 17 augustus 2016 is gestart. Op grond van artikel 15 Sr Pro kwam hij op 31 juli 2018 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling met een proeftijd van 609 dagen.

De officier van justitie heeft op 18 juni 2018 een vordering ingediend om de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten. Dit vanwege ernstige misdragingen tijdens de detentie, meerdere disciplinaire straffen, en het feit dat de veroordeelde niet bereid is mee te werken aan een plan van aanpak of toezicht door de reclassering, mede door zorgen over middelengebruik en huisvesting.

De rechtbank heeft de zaak op 30 juli 2018 behandeld. De veroordeelde verscheen en verklaarde geen begeleiding of hulpverlening te willen, maar zijn straf volledig uit te zitten. De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde zich herhaaldelijk en bij voorbaat heeft uitgesproken niet te willen voldoen aan de voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Gezien het omvangrijke strafblad en het grote gevaar op herhaling acht de rechtbank het passend om de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten. De vordering van het openbaar ministerie wordt daarom toegewezen.

De beslissing is uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 30 juli 2018.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe en laat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege vanwege het grote recidivegevaar en de weigering van de veroordeelde om voorwaarden na te leven.

Uitspraak

Rechtbank den haag
Strafrecht
Meervoudige kamer
VI-zaaknummer : 99/000363-23
Parketnummer : 09/817595-17
BESLISSING OP DE VORDERING TOT HET ACHTERWEGE LATEN VAN DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

De veroordeelde; de opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van
2 augustus 2016 (parketnummer 09/817895-15) is

[Veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein te Nieuwegein
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht, waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van
17 augustus 2016 is gestart.
De veroordeelde komt, gelet op art. 15 van Pro het Wetboek van Strafrecht, daardoor op
31 juli 2018 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. In dat geval zou het strafrestant, en de v.i.-proeftijd, 609 dagen bedragen.

De vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 18 juni 2018, strekt ertoe dat de rechtbank deze voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege laat wegens:
- ernstige misdragingen; de veroordeelde heeft tijdens de tenuitvoerlegging van zijn straf meermalen een disciplinaire straf gekregen
en
- het niet kunnen realiseren van V.I.-voorwaarden om recidive te beperken, omdat de reclassering geen passend plan van aanpak kan opstellen door veroordeeldes weigering met de reclassering te praten over een eventueel toezicht. Er zijn veel zorgen omtrent het middelengebruik door betrokkene en rondom de huisvesting.

De ontvankelijkheid van de vordering

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 18 juni 2018 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.

De behandeling ter terechtzittingHet onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 30 juli 2018.

De veroordeelde is ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door zijn raadsman
mr. A.R. Ytsma.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling
De veroordeelde heeft zich ter terechtzitting niet verzet tegen het gevorderde
achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hij heeft verklaard dat hij geen begeleiding of hulpverlening wil, maar dat hij zijn straf wil uitzitten.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordelingOnder de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 15 Sr Pro, voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in deze bepaling omschreven deel van de vrijheidsstraf. Krachtens artikel 15d, eerste lid aanhef en onder d, Sr (voor zover hier relevant) kan de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege blijven indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven.

De rechtbank stelt op grond van het V.I.-adviesrapport d.d. 25 mei 2018 vast dat de veroordeelde meerdere keren en bij voorbaat te kennen heeft gegeven dat hij niet bereid is om zich te houden aan de eventuele bijzondere voorwaarden van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Hij weigert dan ook mee te werken aan het opstellen van een V.I.-advies. De veroordeelde heeft dit ter terechtzitting van 30 juli 2018 bevestigd: hij heeft verklaard dat hij de resterende gevangenisstraf wil uitzitten.
De rechtbank is gezien het omvangrijke strafblad van de veroordeelde van oordeel dat het gevaar voor herhaling groot is.
Omdat de veroordeelde zich (bij voorbaat) niet bereid verklaart de V.I.-voorwaarden na te leven die gesteld worden om het recidiverisico voor misdrijven te beperken is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen.

BeslissingDe rechtbank

wijst de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.T. Renckens, voorzitter,
mr. W.G. de Boer, rechter,
mr. E.A. Lensink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2018.