De rechtbank Den Haag heeft op 30 juli 2018 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2015. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om beëindiging van het gezag van de moeder en benoeming van een gecertificeerde instelling tot voogd, omdat de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd door de problematiek van de moeder.
De minderjarige verblijft sinds september 2015 in een perspectief biedend pleeggezin waar hij zich goed ontwikkelt. Uit onderzoeken, waaronder een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), blijkt dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in de opvoedings- en emotionele behoeften van het kind en er geen affectieve relatie is gevormd. Daarnaast zijn er vermoedens van middelengebruik door de moeder. De omgang met de moeder is voor het kind belastend en de moeder is niet in staat het belang van het kind boven haar eigen problematiek te stellen.
De moeder betwist het verzoek en stelt dat zij met de juiste hulp wel voor het kind kan zorgen. Zij heeft hulp gezocht en aan onderzoeken meegewerkt, maar ervaart het contact met instanties als oneerlijk en belastend. De gecertificeerde instelling en pleegouders ondersteunen het verzoek tot gezagsbeëindiging.
De kinderrechter oordeelt dat het belang van de minderjarige prevaleert en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen. De beëindiging van het gezag wordt toegewezen en Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden wordt benoemd tot voogd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.