ECLI:NL:RBDHA:2018:9593
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden
Eisers, allen Iraakse nationaliteit, hebben op 18 februari 2016 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder tijdelijke humanitaire gronden. Verweerder wees deze aanvragen bij besluiten van 14 november 2017 af wegens het ontbreken van een onderscheidend samenstel van schrijnende factoren.
De rechtbank oordeelde in een eerdere uitspraak dat eisers geen vluchteling zijn en geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Wel stelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de omstandigheden van eisers in de belangenafweging.
In de bestreden besluiten heeft verweerder deze belangenafweging alsnog gemaakt en geoordeeld dat de omstandigheden, waaronder het overlijden van familieleden tijdens de vlucht, psychische klachten en de geboorte van een kind in Nederland, niet leiden tot een verblijfsvergunning. De rechtbank acht deze afweging redelijk en wijst het beroep af.
De rechtbank bevestigt dat verweerder niet verplicht was een voornemen te geven voorafgaand aan het besluit, gezien de eerdere gelegenheid voor eisers om hun omstandigheden te presenteren. Ook is het criterium van een onderscheidend samenstel van schrijnende factoren niet onredelijk als beleidsinvulling van de discretionaire bevoegdheid. De medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd met actuele behandeling en de familiebanden in Nederland zijn niet zodanig bijzonder dat zij een vergunning rechtvaardigen.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden.