ECLI:NL:RBDHA:2018:9717
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid invorderingsrente bij niet-tijdige betaling belastingaanslagen
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de in rekening gebrachte invorderingsrente over de belastingjaren 2012, 2013, 2014 en 2016. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen invorderingsrente, maar het bezwaar werd door verweerder gehandhaafd.
Hoewel eiser niet is gehoord in de bezwaarfase, acht de rechtbank dit niet van belang omdat er geen verschil van mening bestaat over de feiten en de waardering daarvan, en eiser zijn bezwaren in beroep schriftelijk en mondeling heeft kunnen uiteenzetten. De rechtbank oordeelt dat de invorderingsrente overeenkomstig de wettelijke bepalingen is berekend en dat het terecht is dat verweerder deze in rekening heeft gebracht, aangezien de aanslagen niet binnen de betalingstermijn zijn voldaan.
Eiser stelde dat de invorderingsrente in strijd zou zijn met zijn verblijfsrecht in België en met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, maar de rechtbank wees dit af omdat de invorderingsrente slechts een compensatie is voor het uitblijven van tijdige betaling en geen individuele buitensporige last vormt. De motivering van de uitspraak op bezwaar is weliswaar summier, maar voldoende. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de invorderingsrente is ongegrond verklaard en de invorderingsrente is terecht in rekening gebracht.