Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf. Verweerder besloot niet tijdig op het bezwaar, waarna eiser verweerder in gebreke stelde. Verweerder besloot vervolgens binnen twee weken, maar trok deze beslissing weer in en nam later een nieuwe beslissing.
De rechtbank oordeelt dat eiser na de intrekking van de eerste beslissing op bezwaar niet opnieuw verweerder hoefde in gebreke te stellen. De ingebrekestelling van 1 juli 2016 bleef geldig omdat verweerder de beslistermijn had overschreden.
Hierdoor is verweerder van rechtswege een dwangsom verschuldigd. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op €1.260,-, gebaseerd op de duur van het verzuim. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Het beroep tegen het niet-vergoeden van kosten in bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder dit later alsnog heeft toegekend. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.