Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk in dat geschrift het volgende gerelateerd:
3.Bewijsoverwegingen
inhet tasje bevonden. De zin
“Wij zagen dat de verdachte [slachtoffer 1 welke eerst gezien werd als verdachte] zijn hand in zijn nektasje hield en zich wegdraaide van [verbalisant] ”is dan ook in strijd met de feitelijke toedracht en dus onjuist.
“Wij verbalisanten zagen dat de verdachte [slachtoffer 1 welke eerst gezien werd als verdachte] zijn hand nog steeds in zijn nektasje hield op het moment dat [verbalisant] hem aanhield”is daarom in strijd met de feitelijke toedracht en is dus onjuist.
“Wij zagen dat de verdachte [slachtoffer 1 welke eerst gezien werd als verdachte] niet meewerkte aan zijn aanhouding en het gevecht aanging met [verbalisant] ”volgt uit de camerabeelden dat [slachtoffer 1] zich op zijn linkerzij, en dus weg van [verbalisant] , rolt en dat [verbalisant] aan de rechterzij en -arm van [slachtoffer 1] blijft trekken, maar [slachtoffer 1] niet meegeeft. Dergelijke door [slachtoffer 1] gepleegde handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden geïnterpreteerd als het niet meewerken aan de aanhouding. Voor discussie vatbaar is of [slachtoffer 1] ‘het gevecht aanging’ met [verbalisant] , zoals de verdachte in het proces-verbaal van bevindingen heeft opgenomen. Enig actief gewelddadig gedrag heeft [slachtoffer 1] , liggend op grond, immers niet vertoond. Anderzijds kan worden gezegd dat [slachtoffer 1] tijdens de aanhouding door [verbalisant] passief verzet pleegde door niet mee te geven en in die zin het gevecht aanging. De zin
“Wij zagen dat de verdachte [slachtoffer 1] niet meewerkte aan zijn aanhouding en het gevecht aanging met [verbalisant] ”is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zonder meer in strijd met de feitelijke toedracht en kan daarom niet als onjuist worden bestempeld.
Ik zag dat de verdachte [slachtoffer 1 welke eerst gezien werd als verdachte] nog steeds zijn handen niet liet zien”overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van de verdachte blijkt dat dit gaat om het moment dat de diensthond net is ingezet en daarna weer van [slachtoffer 1] is losgemaakt. Op de camerabeelden zijn de handen van [slachtoffer 1] niet te zien op het moment dat de hond wordt ingezet. Ook is op de beelden niet te zien wanneer de hond precies van het been van [slachtoffer 1] wordt losgemaakt. Wel is op de camerabeelden te zien dat in ieder geval de linkerarm van [slachtoffer 1] uitgestrekt is met open hand, vlak voordat de verdachte hem met de wapenstok slaat, maar niet is te zien of de hond op dit moment al is losgemaakt van [slachtoffer 1] . Wel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich op dat moment vlak achter [slachtoffer 1] bevindt en naar [slachtoffer 1] kijkt. Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte, vanuit zijn positie, moeten kunnen hebben waarnemen dat [slachtoffer 1] zijn linkerarm uitstrekte en dus zijn linkerhand liet zien. De zin
“Ik zag dat de verdachte [slachtoffer 1] nog steeds zijn handen niet liet zien”is dan ook in strijd met de feitelijke toedracht en dus onjuist.