Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het verzoekschrift van 1 maart 2019 met producties 1 tot en met 17;
- het verweerschrift van 14 augustus 2019 met producties 1 tot en met 5.
Rechtbank Den Haag
Op 3 september 2017 is verzoekster gevallen toen zij met een rollator over de Kalvermarkt in Den Haag liep. Zij liep achter een rollator en werd voortgeduwd door een medelid van haar groep. Ter hoogte van een afwateringsrooster in het wegdek raakte het wiel van haar rollator een steen die lager lag dan het wegdek, waarna zij viel en haar pols brak.
Verzoekster stelde de gemeente aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW Pro omdat het wegdek een gebrek zou vertonen door het hoogteverschil naast het rooster. De gemeente betwistte dit en verwees onder meer naar het CROW-handboek, dat een hoogteverschil van minder dan 3 cm als matig kwalificeert.
De rechtbank stelde vast dat het hoogteverschil maximaal 2,5 cm bedroeg en dat het rooster en de steen zo waren geplaatst dat normale weggebruikers geen hinder zouden ondervinden. Bovendien was de plaats van het ongeval geen officiële oversteekplaats en was het gebruik van de rollator als zitplaats met voortduwen niet conform de normale gebruiksintentie.
De rechtbank concludeerde dat de weg voldeed aan de eisen die men daaraan mocht stellen en dat er geen sprake was van een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW Pro. De gemeente werd daarom niet aansprakelijk gehouden voor de schade van verzoekster. De kosten van de deelgeschilprocedure werden begroot, maar niet toegewezen aan verzoekster vanwege het afwijzen van haar vordering.
Uitkomst: De gemeente is niet aansprakelijk voor de schade van verzoekster door de valpartij veroorzaakt door een hoogteverschil van maximaal 2,5 cm in het wegdek.