Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2019 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Belanghebbende:
Rechtbank Den Haag
Eiser, enig aandeelhouder van pensioen BV, had in het verleden een bedrag van €106.000 ter beschikking gesteld aan zijn echtgenote voor haar fysiotherapiepraktijk. In 2014 sloot eiser samen met pensioen BV een leningsovereenkomst met zijn echtgenote, waarin werd vermeld dat €60.000 direct van pensioen BV was geleend. Eiser stelde dat hij privé €46.000 had uitgeleend en dat het restant van €60.000 door pensioen BV was uitgeleend.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet had aangetoond dat de vordering daadwerkelijk was overgedragen aan pensioen BV door middel van een akte van cessie, zoals vereist volgens artikel 3:84 en Pro 3:94 BW. Ook ontbraken de boekhoudkundige consequenties van een dergelijke overdracht in de overgelegde stukken. Het enkel overleggen van een bankafschrift met een rentebetaling achtte de rechtbank onvoldoende bewijs voor economische overdracht.
Verweerder stelde het ter beschikking gestelde vermogen op €106.000, zoals eerder door het Gerechtshof Den Haag was vastgesteld voor de jaren 2009 en 2010. De rechtbank volgde dit standpunt en stelde het TBS-resultaat vast op €1.865. Eiser voerde geen aparte beroepsgronden aan tegen de belastingrente. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het ter beschikking gestelde vermogen vastgesteld op €106.000.