ECLI:NL:RBDHA:2019:10317
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift ongegrond verklaard tegen DNA-profielbepaling bij veroordeelde valsheid in geschrifte
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van een veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor meervoudige valsheid in geschrifte en had bezwaar gemaakt tegen het afnemen van haar DNA.
De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingsgrond in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, die bepaalt dat geen DNA-onderzoek plaatsvindt indien dit niet van betekenis is voor opsporing en vervolging, niet van toepassing is. De wetgever heeft in het verleden misdrijven zoals valsheid in geschrifte genoemd waarvoor DNA-onderzoek niet relevant zou zijn, maar door de voortschrijdende opsporingstechnieken kan DNA-bewijs inmiddels wel een rol spelen.
De rechtbank stelde dat bij delicten waarbij stoffelijke objecten worden gebruikt of menselijk contact plaatsvindt, DNA-bewijs nuttig kan zijn. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de toepassing van de uitzonderingsgrond rechtvaardigden. Daarom werd het bezwaar ongegrond verklaard en mocht het DNA-profiel worden bepaald en verwerkt.
De uitspraak bevestigt dat de rechter een ruime interpretatie hanteert van de toepasselijkheid van DNA-onderzoek, mede door technologische ontwikkelingen, ook bij misdrijven die traditioneel niet met DNA in verband werden gebracht.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.