ECLI:NL:RBDHA:2019:10479
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens ontbreken feitelijke gezinsband voor machtiging voorlopig verblijf
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinsleden van referent, die zij als hun vader aanduiden. Verweerder wees de aanvragen af omdat niet was aangetoond dat eisers feitelijk tot het gezin van referent behoren, zoals vereist in artikel 3.14 van het Vreemdelingenbesluit.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht oordeelde dat de familierechtelijke relatie niet voldoende was aangetoond. Verweerder kon daarbij betrekken dat referent tijdens zijn asielprocedure verklaarde niet gehuwd te zijn en geen kinderen te hebben, en dat er geen bewijs was van een huwelijksakte, regelmatige contacten of financiële zorg. Eisers stelden dat verweerder ten onrechte geen DNA-onderzoek had aangeboden en dat er sprake was van klemmende humanitaire redenen, maar deze stellingen waren onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat geen sprake was van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat verweerder de hoorplicht niet had geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van referent behoren.