ECLI:NL:RBDHA:2019:10510
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende verblijfdoel en binding met land van herkomst
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende persoon, vroeg op 22 mei 2018 een visum voor kort verblijf aan bij de Nederlandse vertegenwoordiging in New Delhi. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende had aangetoond en onvoldoende sociale en economische binding met India kon aantonen die zijn terugkeer zou waarborgen.
Eiser voerde aan dat hij was uitgenodigd door een referent om hun relatie te onderzoeken, wat vanwege hun homoseksuele geaardheid in India niet mogelijk is. Er was nog geen bestendige relatie, en er was sprake van tegenstrijdige verklaringen over de verblijfsduur en de aard van hun relatie. Eiser overhandigde aanvullende stukken, maar deze konden niet meebrengen dat het reisdoel voldoende was aangetoond, mede omdat sommige documenten betrekking hadden op een periode na het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan het reisdoel en aan de sociale en economische binding met India. Er was geen bewijs van zorg voor directe familie of zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen. Het feit dat eiser een tijdelijk arbeidscontract had, was niet doorslaggevend, zeker gezien de verklaring dat eiser bereid was zijn baan op te zeggen. Ook het eerdere tijdig terugkeren bood geen garantie voor toekomstig gedrag.
De rechtbank stelde vast dat de extra afwijzingsgrond in bezwaar geen strijd opleverde met het verbod op reformatio in peius, omdat het materiële rechtsgevolg ongewijzigd bleef en eiser hierop had kunnen reageren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.