ECLI:NL:RBDHA:2019:10957
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ongeldig verklaarde machtiging bij visumaanvraag
Eiser heeft een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen. Vervolgens heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd door verweerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de machtiging om namens eiser bezwaar te maken niet rechtsgeldig was. De handtekening op de machtiging week sterk af van die op het visumaanvraagformulier en het paspoort.
Eiser stelde dat hij tijdens de procedure een nieuwe handtekening had aangenomen omdat hij zijn oude handtekening te kinderlijk vond. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaring onvoldoende was om het gebrek te herstellen, temeer daar eiser niet had gereageerd op een verzoek van de rechtbank om opheldering over de discrepantie tussen de handtekeningen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond was en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Hameete op 21 oktober 2019.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ongeldig verklaarde machtiging met afwijkende handtekeningen.