ECLI:NL:RBDHA:2019:10957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2019
Publicatiedatum
18 oktober 2019
Zaaknummer
AWB 19/4320
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens ongeldig verklaarde machtiging bij visumaanvraag

Eiser heeft een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen. Vervolgens heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd door verweerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de machtiging om namens eiser bezwaar te maken niet rechtsgeldig was. De handtekening op de machtiging week sterk af van die op het visumaanvraagformulier en het paspoort.

Eiser stelde dat hij tijdens de procedure een nieuwe handtekening had aangenomen omdat hij zijn oude handtekening te kinderlijk vond. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaring onvoldoende was om het gebrek te herstellen, temeer daar eiser niet had gereageerd op een verzoek van de rechtbank om opheldering over de discrepantie tussen de handtekeningen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond was en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Hameete op 21 oktober 2019.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ongeldig verklaarde machtiging met afwijkende handtekeningen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/4320
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en
de minister van Buitenlandse Zaken, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit het door mevrouw [eiser]
ingediende bezwaar, op grond van artikel 70, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), bezien in samenhang met artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de handtekening van eiser op de overgelegde machtiging sterk afwijkt van de handtekening van eiser op het visumaanvraagformulier en/of de handtekening in het paspoort. De overgelegde machtiging is niet rechtsgeldig, omdat daaruit niet blijkt dat de indiener van het bezwaarschrift gemachtigd is om namens eiser een bezwaarschrift in te dienen.
2. In de door mevrouw [eiser] ingezonden brief van 24 juni 2019 stelt zij dat eiser gedurende de visumaanvraag een nieuwe handtekening heeft aangenomen omdat hij zijn oude handtekening te kinderlijk vond.
2.1.
Op grond van artikel 70, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, wordt, in afwijking van de artikelen 2:1 en 8:24 van de Awb, het bezwaar ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde, zijn referent of een advocaat.
Op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb kan het bezwaar of beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen hiervan, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat in bezwaar in eerste instantie geen machtiging is overgelegd. Nadat verweerder een herstelverzuimtermijn had geboden is er een machtiging gedateerd 17 april 2019 overgelegd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de handtekening op deze machtiging sterk afwijkt van de handtekening van eiser op het visumaanvraagformulier en de handtekening in zijn paspoort. Dit gebrek is tot op heden niet gerepareerd. De enkele stelling van [eiser] in haar brief van 24 juni 2019 dat eiser gedurende de visumaanvraag een nieuwe handtekening heeft aangenomen omdat hij zijn oude handtekening te kinderlijk vond, is daartoe onvoldoende. Overigens is door de eisende partij niet gereageerd op de brief van de rechtbank van 2 oktober 2019 waarin werd gevraagd om een verklaring voor de door de rechtbank geconstateerde discrepantie tussen de handtekening op de machtiging voor het ingediende beroep en het visumaanvraagformulier.
3. Het beroep is kennelijk ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers-Heins, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 oktober 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.