Eiser, een Iraanse nationaliteithebbende, verzocht asiel in Nederland op grond van zijn homoseksuele gerichtheid en bekering tot het christendom. Hij verbleef eerder in Nederland tussen 2000 en 2013 en keerde in 2018 terug om asiel aan te vragen.
Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees het verzoek af wegens ongeloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid en bekering. De rechtbank toetste deze beoordeling en concludeerde dat eiser onvoldoende inzicht gaf in zijn persoonlijke ervaringen als homoseksueel in Iran en zijn proces van bekering tot het christendom niet aannemelijk maakte.
De rechtbank oordeelde dat eiser wisselende en onvoldoende gedetailleerde verklaringen gaf over zijn relaties en geloofsbeleving, en dat de overgelegde bewijsstukken, zoals een foto van een doop, onvoldoende waren. De gestelde risico's bij terugkeer naar Iran werden daarom niet geloofwaardig bevonden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.