ECLI:NL:RBDHA:2019:11218
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens voorzienbaarheid woonsituatie
Verzoeker heeft bij besluit van 8 augustus 2019 een urgentieverklaring aangevraagd die door het college van burgemeester en wethouders van Westland is afgewezen. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens is een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.
Tijdens de zitting op 30 september 2019 is de zaak aangehouden om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor een woning via woningcorporaties of andere oplossingen. Verweerder heeft toegezegd de hoorzitting in het bezwaarschrift te bespoedigen, maar daarop volgde geen bericht van partijen. De voorzieningenrechter heeft daarop het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het huisvestingsprobleem van verzoeker voorzienbaar was, omdat hij zijn huidige woonruimte, een vakantiewoning, heeft geaccepteerd terwijl al vanaf het begin duidelijk was dat deze niet passend was. Verzoeker is naar Nederland verhuisd zonder eigen zelfstandige woonruimte en koos ervoor zich in een regio met woningnood te vestigen. De hardheidsclausule in de Huisvestingsverordening wordt terughoudend toegepast en is in deze situatie niet van toepassing.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van een urgentieverklaring wordt afgewezen.