ECLI:NL:RBDHA:2019:11218

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2019
Publicatiedatum
24 oktober 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5715
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Westland 2019Art. 7:3 Huisvestingsverordening Westland 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens voorzienbaarheid woonsituatie

Verzoeker heeft bij besluit van 8 augustus 2019 een urgentieverklaring aangevraagd die door het college van burgemeester en wethouders van Westland is afgewezen. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens is een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

Tijdens de zitting op 30 september 2019 is de zaak aangehouden om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor een woning via woningcorporaties of andere oplossingen. Verweerder heeft toegezegd de hoorzitting in het bezwaarschrift te bespoedigen, maar daarop volgde geen bericht van partijen. De voorzieningenrechter heeft daarop het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het huisvestingsprobleem van verzoeker voorzienbaar was, omdat hij zijn huidige woonruimte, een vakantiewoning, heeft geaccepteerd terwijl al vanaf het begin duidelijk was dat deze niet passend was. Verzoeker is naar Nederland verhuisd zonder eigen zelfstandige woonruimte en koos ervoor zich in een regio met woningnood te vestigen. De hardheidsclausule in de Huisvestingsverordening wordt terughoudend toegepast en is in deze situatie niet van toepassing.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van een urgentieverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 19/5715
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
tegen

college van Burgemeester en Wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigden: D.L.A. Mostert-Koestal en mr. V. Djordevic ).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen [A] , de echtgenote van verzoeker.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de zaak aangehouden met het oog op een eventuele claim die mogelijk bij woningcorporaties zou kunnen worden gelegd voor een woning, dan wel op een andere oplossing waaraan verweerder zou kunnen meewerken. Door verweerder is toegezegd dat de hoorzitting in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift zal worden bespoedigd.
Van partijen is nadien geen bericht ontvangen. Daarop heeft de voorzieningenrechter heden het onderzoek gesloten en zal zij uitspraak doen zoals hierna vermeld.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verweerder heeft aan de weigering een urgentieverklaring te verlenen ten grondslag gelegd dat de ontstane woonsituatie voorzienbaar was, aangezien verzoeker zijn huidige woonruimte – een vakantiewoning - geaccepteerd heeft waarbij al vanaf het begin het vermoeden bestond dat deze niet past bij zijn woonbehoefte.
3.1
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, onder d van de Huisvestingsverordening Westland 2019 weigeren burgemeester en wethouders de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
(…)
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien;
3.2
De artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:5, onder d van de Huisvestingsverordening luidt als volgt.
Wanneer het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kon worden opgelost, door gebruik te maken van een voorliggende voorziening, is een huisvestingsprobleem door nalatigheid ontstaan. Dit is verwijtbaar. Van een voorliggende voorziening is sprake wanneer een voorziening, gelet op haar aard en doel passend wordt geacht voor het toereikend en passend oplossen van het huisvestingsprobleem van de belanghebbende. Aan deze afwijzingsgrond kan eventueel in lokaal beleid verder inhoud gegeven worden.
4 De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de aan hem verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toekomt. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend moet toetsen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de urgentieverklaring op goede gronden heeft geweigerd op grond van artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening, omdat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het huisvestingsprobleem voorzienbaar was. Ook al begrijpt de voorzieningenrechter dat de medische situatie van verzoeker ernstig is, de woonsituatie waarin verzoeker verkeert is ontstaan door eigen keuzes en handelen. Hij is naar Nederland verhuisd terwijl hij niet beschikte over eigen zelfstandige woonruimte. Ook heeft hij zich gevestigd in een regio waar sprake is van woningnood.
Ingevolge artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening kunnen burgemeester en wethouders een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is de hardheidsclausule toe te passen.
Gelet op de woningnood in de regio wordt de hardheidsclausule zeer terughoudend toegepast. Dit betekent dat voor toepassing sprake moet zijn van een zeer ernstige en afwijkende situatie, waardoor voorrang verlenen op andere woningzoekenden gerechtvaardigd is. Verzoeker is naar Nederland gekomen, terwijl hij geen adequate huisvesting had. De gevolgen hiervan dienen voor zijn verantwoordelijkheid te komen. Verweerder heeft daarbij in redelijkheid kunnen betrekken dat er een grote schaarste is aan sociale woningen in de regio, dat verzoeker er zelf, komende vanuit het buitenland, voor gekozen heeft juist naar deze regio te verhuizen zonder te beschikken over adequate huisvesting terwijl er andere regio’s zijn met minder krapte op de sociale woningmarkt, waar makkelijker een woning te vinden is.
5 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.