ECLI:NL:RBDHA:2019:1122

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2019
Publicatiedatum
11 februari 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7902
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 78 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als zelfstandige bij een kledingreparatiebedrijf. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen vanwege een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan.

Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het ondernemingsplan onvoldoende was gespecificeerd, met name op het gebied van markt- en concurrentieanalyse. Ook de werkervaring en opleiding van verzoeker waren onduidelijk en niet in overeenstemming met eerdere informatie. De werkgeversverklaring bood onvoldoende onderbouwing.

Verzoekers argumenten over communicatieproblemen met de opsteller van het ondernemingsplan en het gebrek aan marktgegevens werden niet voldoende geacht. Financiële stukken die verzoeker vlak voor de zitting overhandigde, konden de afwijzing niet veranderen omdat een goed onderbouwd ondernemingsplan vereist is.

De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning als zelfstandige wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/7902
[V-nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 17 januari 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. B. Aydin)
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuys)

Zitting hebben:

Mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter,
Mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was op de zitting aanwezig [naam 1] , tolk in de Turkse taal. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk na sluiting van het onderzoek op de zitting mondeling uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft hierbij meegedeeld dat tegen de uitspraak geen rechtsmiddel open staat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Motivering

Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige bij Kledingreparatie [naam 2] VOF ingediend. Met het besluit van 24 september 2018 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter moet beoordelen of verweerder dat besluit op goede gronden heeft genomen.
Verzoeker heeft eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige ingediend bij hetzelfde bedrijf. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, dus verzoeker wist welke stukken nodig zijn voor een complete aanvraag.
Net als verweerder oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoeker het ondernemingsplan onvoldoende heeft onderbouwd. Ook de voorzieningenrechter acht verzoekers werkervaring en opleiding, ook met de uitleg op de zitting, onduidelijk en niet in overeenstemming met de informatie bij zijn eerdere aanvraag. De werkgeversverklaring is verder onvoldoende onderbouwing voor verzoekers werkervaring. Daarnaast moet het ondernemingsplan beter gespecificeerd worden ten aanzien van de markt- en concurrentieanalyse. Verzoeker heeft betoogd dat de communicatie tussen hem en degene die het ondernemingsplan heeft geschreven slecht is. Dat is lastig voor verzoeker, maar dat komt voor zijn rekening. Verzoeker heeft ook betoogd dat volgens de boekhouder weinig gegevens ten aanzien van de markt en concurrentie beschikbaar zijn. Ook dat kan lastig zijn, maar door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) moet een oordeel gegeven worden over het ondernemingsplan. Dat kan alleen als daar voldoende specifieke gegevens over de markt- en concurrentieanalyse in zijn opgenomen. Dat is nu niet het geval.
Verzoeker heeft voor de zitting nog een pakket financiële stukken overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat het financieel goed gaat met zijn bedrijf. Dat maakt voor de afwijzing van de aanvraag niet uit, want er moet in elk geval een goed onderbouwd ondernemingsplan zijn. Dat het bedrijf van verzoeker het goed lijkt te doen, maakt dat dus niet anders.
Voor de beroepsgrond over de standstill bepaling verwijst de voorzieningenrechter naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats. Deze beroepsgrond baat verzoeker dus niet.
Verweerder hoeft verzoeker ten slotte niet te horen, omdat aan de hand van de ingediende stukken bij de aanvraag direct duidelijk is dat het bezwaar ongegrond zou zijn.
De voorzieningenrechter verklaart het bezwaar op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ongegrond, omdat verweerder verzoekers aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
griffier
voorzieningenrechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.