ECLI:NL:RBDHA:2019:1133
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Nederlandse rechter niet bevoegd voor adoptieverzoek minderjarige woonachtig in België
Verzoekers, woonachtig in België, dienden een verzoek in tot adoptie van een minderjarige geboren in Libanon, met het verzoek de Nederlandse geslachtsnaam en voornaam vast te stellen. De rechtbank moest beoordelen of zij rechtsmacht had op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De minderjarige en verzoekster hebben de Libanese nationaliteit, verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoekers en de minderjarige wonen feitelijk in België en er zijn geen belanghebbenden met verblijfplaats in Nederland. De rechtbank concludeerde dat artikel 3 onder Pro a en b Rv niet van toepassing zijn en dat de omstandigheden onvoldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer opleveren volgens artikel 3 onder Pro c Rv.
De rechtbank oordeelde dat het feit dat verzoeker EU-ambtenaar is en in een speciaal register staat ingeschreven, noch het feit dat verzoekers hopen op overplaatsing naar Nederland, voldoende zijn om rechtsmacht aan te nemen. De belangen van het kind dienen in België te worden gewaarborgd en de rechtbank ziet geen reden om de adoptieprocedure niet in België te laten plaatsvinden.
Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het adoptieverzoek wegens onvoldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer.