Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
[verzoeker],
Rechtbank Den Haag
De werkgever, een familiebedrijf dat fysiotherapie-behandelbanken en kapsalonmeubilair produceert, verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. De werknemer was aangesteld als manager exportbevordering sinds 1 mei 2018. Na positieve resultaten in 2016 en 2017 daalde de omzet vanaf juli 2018 sterk, met een negatief bedrijfsresultaat in 2018 en 2019 tot augustus.
De werkgever heeft kostenbesparende maatregelen genomen, waaronder het beëindigen van uitzendkrachten en het uitstellen van investeringen. Het UWV weigerde de ontslagvergunning voor de werknemer, waarna de werkgever de ontbinding bij de kantonrechter verzocht. De werknemer betwist de noodzaak van ontslag en stelt dat hij naar behoren functioneerde en de financiële problemen niet met ontslag worden opgelost.
De kantonrechter oordeelt dat de financiële situatie van de werkgever sinds de aanstelling van de werknemer sterk is verslechterd door marktomstandigheden en dat dit niet voorzienbaar was bij indiensttreding. Het besluit tot ontslag is redelijk en doelmatig, aangezien het verval van de functie noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2019, met ieder partij draagt eigen kosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2019 wegens bedrijfseconomische omstandigheden.