ECLI:NL:RBDHA:2019:11774
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schadevergoeding wegens onrechtmatige sluiting bedrijfspand
Verzoeker heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend wegens een onrechtmatig besluit van de burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn bedrijfspand voor 12 maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting vond plaats op 7 oktober 2015 en werd later door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd.
Verzoeker stelde dat de sluiting van het pand heeft geleid tot omzetverlies, gederfde goodwill, huurachterstand, investeringskosten en immateriële schade, en vorderde een schadevergoeding van €144.391,15. Verweerder betwistte het causaal verband tussen de sluiting en de schade, wijzend op de detentie van verzoeker die de bedrijfsvoering belemmerde en dat de onderneming voortgezet had kunnen worden met een andere opslagruimte.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker een rechtstreeks belang had bij het verzoek en dat de bestuursrechter bevoegd was het verzoek te behandelen omdat het bedrag was beperkt tot €25.000. De rechtbank stelde vast dat het onrechtmatige besluit tot sluiting niet automatisch tot gevolg had dat de onderneming niet kon worden voortgezet. Er was geen bewijs dat de sluiting de schade direct heeft veroorzaakt, mede omdat de detentie van verzoeker de bedrijfsvoering belemmerde.
Ook het causaal verband tussen de huurschuld en de sluiting was niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek om een dwangsom wegens het niet tijdig reageren op het verzoek werd eveneens afgewezen omdat de dwangsomregeling niet van toepassing is op schadevergoedingsverzoeken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade.