ECLI:NL:RBDHA:2019:11899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs en twijfel aan terugkeer
Eiseres, een Iraakse nationaliteit houdende vrouw woonachtig in Turkije, vroeg een visum kort verblijf aan voor familiebezoek aan haar zoon in Nederland. De aanvraag werd afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en het voornemen om Nederland tijdig te verlaten niet kon worden vastgesteld.
Eiseres stelde dat zij moeder is van de referent en het huwelijk van haar zoon wilde bijwonen. Zij overlegde enkele documenten, waaronder een kopie van de ID-kaart van haar zoon en een verklaring van Iraakse autoriteiten, maar deze werden onvoldoende geacht. Ook was er onduidelijkheid over het huwelijksfeest en de sociale en economische binding met Turkije, waar zij zou wonen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode. De bewijsstukken waren onvoldoende objectief en relevant, en er was twijfel over de terugkeer. Nieuwe informatie na het besluit kon niet worden meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.