ECLI:NL:RBDHA:2019:11901
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens vestiging hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, houder van de Turkse nationaliteit, kreeg op 1 maart 2012 een verblijfsvergunning voor gezinshereniging bij zijn vader in Nederland, welke verlengd werd tot 15 juni 2018. Op 30 september 2014 vertrok eiser met zijn ouders naar Turkije, waarna hij zich op 12 februari 2018 opnieuw in Nederland inschreef en een verlenging van zijn verblijfsvergunning aanvroeg. Verweerder trok de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in per 30 september 2014 wegens vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland en wees de verlengingsaanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste.
Eiser stelde dat hij als minderjarige door zijn vader gedwongen was mee te verhuizen en dat dit niet tot verplaatsing van het hoofdverblijf mocht leiden. Hij voerde aan dat hij niet gehoord was en dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd, onder meer met verwijzing naar artikel 8 EVRM Pro en het Besluit 1/80. De rechtbank oordeelde dat minderjarige kinderen zich moeten conformeren aan de beslissingen van hun ouders en dat de verklaringen van derden onvoldoende waren om de verplaatsing tegen te spreken. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eiser uit, mede omdat hij slechts kort rechtmatig in Nederland verbleef.
De rechtbank verwierp ook het beroep op de hoorplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Asielgerelateerde argumenten werden buiten beschouwing gelaten omdat die in een aparte procedure thuishoren. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de verlengingsaanvraag wordt ongegrond verklaard.