ECLI:NL:RBDHA:2019:11904

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2019
Publicatiedatum
8 november 2019
Zaaknummer
AWB 18/7624
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid door ontbreken connexiteit

Verzoekster heeft een aanvraag voor een visum kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen bij besluit van 24 september 2018. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 16 januari 2019 ongegrond werd verklaard. Verzoekster stelde vervolgens beroep in tegen het bestreden besluit.

Tegelijkertijd werd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek werd aangemerkt als ingediend hangende het beroep op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Awb. Na behandeling van het beroep op 10 oktober 2019 verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.

Omdat het beroep ongegrond is verklaard, is niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het connexiteitsvereiste.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/7624
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoekster] , verzoekster, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde mr. J.P. Sanchez Montoto),
tegen

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een visum kort verblijf afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend.
Tevens heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Bij besluit van 16 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AWB 19/817.
Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het verzoek om een voorlopige voorziening aangemerkt als ingediend hangende het beroep.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft heden het beroep in de procedure met zaaknummer
AWB 19/817 – na behandeling hiervan ter zitting op 10 oktober 2019 – ongegrond verklaard, zodat niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.
2. Het verzoek is om die reden kennelijk niet-ontvankelijk.
3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld