ECLI:NL:RBDHA:2019:11904
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid door ontbreken connexiteit
Verzoekster heeft een aanvraag voor een visum kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen bij besluit van 24 september 2018. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 16 januari 2019 ongegrond werd verklaard. Verzoekster stelde vervolgens beroep in tegen het bestreden besluit.
Tegelijkertijd werd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek werd aangemerkt als ingediend hangende het beroep op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Awb. Na behandeling van het beroep op 10 oktober 2019 verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.
Omdat het beroep ongegrond is verklaard, is niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het connexiteitsvereiste.