ECLI:NL:RBDHA:2019:11907

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2019
Publicatiedatum
8 november 2019
Zaaknummer
AWB 18/9265
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking van het bestuursrechtelijk beroep

Eiseres had beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar bezwaar ongegrond werd verklaard. Nadat de Staatssecretaris het bestreden besluit introk en aankondigde het bezwaar opnieuw te zullen behandelen, trok eiseres haar beroep in.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het beroep het gevolg was van het tegemoetkomen van de Staatssecretaris aan eiseres, zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder betwistte de aanspraak op proceskosten niet.

Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelde de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op €512,-, gelijk aan één punt voor het indienen van het beroepschrift. De rechtbank wees de griffierechtvergoeding af omdat eiseres vrijstelling had gekregen. De Staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van deze proceskosten aan de rechtsbijstandverlener.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van proceskosten van €512,- aan eiseres na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/9265

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde mr. A. Agayev),
tegen

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres van 23 mei 2018 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 4 oktober 2019 heeft verweerder medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat op het bezwaar opnieuw zal worden beslist.
Eiseres heeft op 6 oktober 2019 het beroep ingetrokken, voordat het beroep op zitting werd behandeld, en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten van het beroep.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting op het verzoek om proceskostenvergoeding.
De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft de in verband met de intrekking van het beroep gemaakte aanspraak op proceskosten niet bestreden.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Voor vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding omdat het verzoek van eiseres om vrijstelling van het griffierecht is toegewezen op grond van de door eiseres verstrekte gegevens over haar inkomsten en vermogen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 512,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet open bij de rechtbank.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij op grond van artikel 8:55, eerste lid van de Awb vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.