Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), verweerder
[derde partij]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een categorale woningcorporatie gericht op ouderenhuisvesting, vroeg goedkeuring voor de administratieve scheiding tussen DAEB en niet-DAEB activiteiten, inclusief overheveling van 70 woningen in de gemeente [plaats] naar de niet-DAEB tak. De Autoriteit woningcorporaties (Aw) verleende aanvankelijk goedkeuring, maar het bezwaar van het college tegen deze overheveling werd gegrond verklaard en het primaire besluit deels herroepen.
De rechtbank overwoog dat eiseres zich moet voegen naar het bredere volkshuisvestingsbeleid, dat prioriteit geeft aan het behoud van sociale huurwoningen binnen de DAEB-portefeuille vanwege schaarste. De stelling van eiseres dat de markt onvoldoende voorziet in de woon- en zorgbehoefte van haar doelgroep werd onvoldoende onderbouwd. Ook het argument dat woningen in de niet-DAEB tak onder de liberalisatiegrens kunnen worden verhuurd, werd verworpen omdat dit niet strookt met het uitgangspunt van marktconforme huren.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt het belang van het volkshuisvestingsbeleid en de zorgvuldige toetsing van administratieve scheidingen binnen de woningcorporatiesector.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de overheveling van 70 woningen naar de niet-DAEB tak wordt herroepen.