ECLI:NL:RBDHA:2019:12107
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht naar Italië
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Italië en verzocht om een voorlopige voorziening die de overdracht zou moeten verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Verzoeker vreesde terugkeer naar Italië vanwege ervaringen met slavernij en wilde in Nederland aangifte doen van mensenhandel.
De rechtbank overwoog dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering en dat nieuwe feiten of omstandigheden die de rechtmatigheid van de uitzetting zouden kunnen beïnvloeden, niet waren aangevoerd. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Italië werd bevestigd en waarin werd geoordeeld dat de mogelijkheid om aangifte te doen in Nederland geen reden is om de Dublinprocedure op te schorten.
Omdat verzoeker geen nieuwe feiten had ingebracht en geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar waren vastgesteld, zag de voorzieningenrechter geen reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht naar Italië wordt afgewezen.