ECLI:NL:RBDHA:2019:12119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2019
Publicatiedatum
15 november 2019
Zaaknummer
AWB 19/1785
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
paragraaf C2/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens verbroken feitelijke gezinsband bij nareisprocedure

Eiser, houder van de Ugandese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis af te wijzen. De referent, de partner van eiser, kreeg in september 2017 een verblijfsvergunning asiel.

De staatssecretaris stelde dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland was verbroken, omdat er gedurende een periode van ongeveer een half jaar geen contact was en de referent tijdens zijn asielprocedure uitdrukkelijk verklaarde geen relatie te hebben. Eiser voerde aan dat de bijzondere omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat de referent ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 de referent moet aantonen dat de feitelijke gezinsband op het moment van binnenkomst bestond en niet verbroken was. Gezien de verklaringen van de referent en het gebrek aan contact was de gezinsband op dat moment verbroken. Het herstel van de band op een later moment was niet relevant. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat het beroep daarom ongegrond verklaard moest worden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de feitelijke gezinsband op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland was verbroken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 19/1785

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,
gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. J.C. Theodoulou.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 februari 2019 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Ugandese nationaliteit. Op 12 september 2017 heeft [naam 2] , de gestelde partner van eiser (hierna: referent), een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 5 december 2017 heeft hij voor referent een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis aangevraagd. Op 3 juli 2018 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent als verbroken moet worden beschouwd. Verweerder gelooft wel dat eiser en referent in het verleden een relatie hebben gehad, maar referent heeft tijdens zijn asielprocedure meermaals uitdrukkelijk verklaard geen relatie te hebben. Ook is gebleken dat hij van augustus 2016 tot november 2017 geen contact heeft gehad met eiser.
Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de feitelijke gezinsband verbroken was. Er is onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van zijn geval. Toen referent naar Nederland kwam, wist hij niet wat er met eiser gebeurd was. Referent is van het slechtste uitgegaan en ging ervan uit dat eiser dood was. Later bleek dat hij het fout had, is het contact hersteld en de relatie voortgezet. Verder heeft eiser aangevoerd dat referent ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat de referent moet aantonen dat zijn partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoorde en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. Referent is op 8 februari 2017 in Nederland aangekomen. Niet in geschil is dat hij toen al ongeveer een half jaar geen contact met eiser meer had. Vervolgens heeft hij zowel tijdens het eerste gehoor als tijdens het nader gehoor aangegeven dat hij geen relatie heeft. Bij deze verklaringen heeft hij geen enkel voorbehoud gemaakt en er zijn achteraf ook geen correcties of aanvullingen ingediend op dit punt. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat de feitelijke gezinsband op het peilmoment – de datum waarop referent Nederland is ingereisd – was verbroken. Of die band op een later moment weer is hersteld, is in deze procedure niet van belang.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en heeft daarom kunnen afzien van het horen in bezwaar. Dat in het dictum van het bestreden besluit niet staat dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, maakt dat niet anders. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt immers duidelijk dat het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard is.
Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2019.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.